Ik denk geregeld terug aan een jaar geleden, toen we die politieke aardverschuiving meemaakten. ‘Vlaanderen moet meer dan ooit inzetten op economische groei,’ zei onze minister president, ‘om te garanderen dat onze kinderen het later beter zouden hebben dan wij.’ Ik kon mijn oren niet geloven.

Groei, is het dat wat we onze kinderen toewensen? Meer economie? Meer werk? Meer druk? Meer koopkracht? Meer spullen? Is dat hun en ons verlangen? Is dat het beeld van een toekomst die ons zo aantrekt dat we er vandaag echt voor willen gaan? Het klinkt zo anders dan het verlangen dat ik zelf voel en bij vele mensen in mijn omgeving aantref.

Het is niet  meer hebben dat we verlangen, maar intenser zijn. Een verlangen naar eenvoud, verbinding, waardigheid, vreugde, tijd, natuur en open ruimte. Een verlangen naar eerlijk en respectvol omgaan met elkaar. Naar mensenmaat. Nabijheid. Solidariteit.

Nu hebben Arno en ik het grote geluk dat bij ons thuis veel jonge mensen in en uit gaan. Onze drie jongvolwassen zonen, vrienden en vrienden van vrienden. Ik probeer goed naar hen te kijken, want via hen zie ik de toekomst. Dit is wat ik zie.

Ik zie jonge mensen die ‘community’ willen. Ze zoeken mekaar op, willen samen zijn, samen dingen opbouwen. Ze kunnen onnoemelijk lui zijn, maar het zijn geen ‘luieriken.’ Ze zijn niet vies van actie of hard werken. Maar het moet er wél toe doen, het moet hen dichter bij iets brengen dat ze waardevol genoeg vinden.

Ik zie jonge mensen die minder gericht zijn op hebben dan op be-leven.

Ik zie hen complexloos delen, hun bezittingen onderling uitlenen, hun leefruimtes opengooien voor elkaar. Ik zie hen samen een auto kopen, in plaats van elk eentje apart. Ik zie hen werken als ze geboeid zijn, en hun werktijd zo beperkt mogelijk houden als er van fascinatie geen sprake is. Zonder passie is werk gewoon een bron van inkomsten, en dan trekken ze zelf de grens: ze werken  tot ze genoeg reserve hebben om hun plannen aan de horizon te kunnen financieren. Plannen die vooral gaan over zijn, over beleven en veel minder over hebben.

Mijn kinderen herinneren mij aan de essentie. Ik observeer, stel soms een vraag, ik leer.

Ik ben geneigd te geloven dat hun keuzes een maatschappelijk keerpunt aankondigen. Ze kiezen niet langer voor de ratrace. Ze zijn niet van plan in tredmolen te stappen van werken-om-te-leven-om-te-werken. Ze zien geen heil in het hyperindividualisme. Hun ego lijkt niet gebouwd te zijn op de spullen die ze bezitten.

Waar ze bovenal waarde aan hechten is vrijheid. Ironisch trekken ze hun wenkbrauwen op als iemand baasje wil spelen. Het is niet dat ze gezag verwerpen. Gezag vinden ze ok, als je het verdient. Respect is het ruilmiddel. Wie het hen geeft, krijgt het grootmoedig terug.

Een tweede essentiële factor in het leven van de jonge mensen die hier komen en gaan is tijd. Tijd om te doen wat ze graag doen. Tijd om te chillen, en dat betekent veel meer dan lummelend rondhangen. Ik zie ze afgedankte materialen bijeenzoeken om een ruimte in te richten waar ze samen kunnen zijn, samen kunnen eten, spelen, van gedachten wisselen. Ze trainen met overgave in een oosterse sportdiscipline. Ze zoeken mekaar op in hun jeugdhuis, maar zijn net zo makkelijk ‘in’ voor een avond met vrienden thuis of rond een nachtelijk vuur.

Ze zijn bezig een nieuwe vorm van ‘goed leven’ te ontwikkelen. Een leven dat een pak eenvoudiger kan zijn dan hoe wij het onze jarenlang hebben ingericht (we werken eraan, het wordt langzaamaan eenvoudiger, maar het is een moeilijke oefening om lang ingesleten patronen om te keren ;).

Kom bij hen – en mij – dus niet aanzetten met een toekomstproject dat zoveel nadruk legt op groei. Er is genoeg werk, genoeg voedsel, meer dan genoeg spullen. We hebben alles. We verzuipen in de overschotten, en het maakt van ons geen gelukkiger mensen. Het probleem is niet dat we niet genoeg hebben. Het probleem is dat we er tot nu toe niet in slagen die rijkdom zo te verdelen dat ieder mens een vol humaan bestaan kan opbouwen. Het probleem is dat het voedsel en de spullen die we hebben niet altijd met bijzonder veel respect voor mensen en natuur geproduceerd worden.

Wat me bij enkele vragen brengt die voor mij veel relevanter zijn dan de groeivraag. Hoe definiëren we het goede leven? En hoe verdelen we de kansen op het goede leven eerlijk onder alle mensen in onze gemeenschap? Hoe knopen we weer aan bij de basiswaarde van solidariteit?  Want – liever dan groei en méér – droom ik van een samenleving waarin we onze natuurlijke omgeving respecteren, waar iedereen kan rekenen op zinvol en gewaardeerd werk, een humane levensstandaard én een behoorlijk tijdsbudget om een essentieel waardevol leven te leiden.

Ik vertrouw erop dat we daarover veel van onze kinderen kunnen leren. Als we hen niet in onze referentiekaders willen doen passen. Als we hen waarderen omdat ze durven zoeken.

Auteur

Griet Bouwen